Op mijn negentiende ben ik uit huis gegaan. Ik woon in Den Haag. Ik ben net na mijn middelbare school hiernaartoe verhuist. Mijn ouders kozen hiervoor omdat het beter was kwa opleidingskeuzes. Hier hadden ze gelijk in. Ik ben eerst gaan kijken bij een school in Den Haag. Hier was helaas niet de studie die ik zocht. Ook vond ik de indeling van de school niet helemaal mijn ding. Dit was erg jammer, want het was maar twintig minuten fietsen van mijn huis. Hierna zijn we het gaan proberen in Rotterdam. De Hogeschool Rotterdam was precies was ik zocht. De school was goed ingericht en had veel plekken om zelfstandig te studeren. Ik vond dit heel belangrijk voor mijn studie. Het was helaas wel een uur reizen. Ik vond dat dit te overzien was. In ieder geval voor het eerste jaar.

Tijdens de opleiding

Ik vond mijn studie heel erg leuk. In mijn eerste jaar had ik nog niet veel activiteiten ernaast. Ik was bang dat ik dan niet genoeg tijd in school zou stoppen. Ook moest ik best wennen aan het hogere niveau. In mijn tweede jaar ging ik vaker uit. Hierdoor maakte ik veel nieuwe vrienden. Het was erg vervelend dat ik of om twaalf uur de laatste trein moest pakken, of om zes uur de eerste. Ik besloot voor mijn derde jaar dat ik op mezelf wilde wonen. Eén van mijn nieuwe vrienden had een wel gestelde vader. Deze kocht een huis voor ons. We huurden dit van hem en betaalde elke maand huur.

Het studentenhuis

In het begin ging het best stroef. Iedereen moest nog aan elkaar wennen. De afspraken over schoonmaken en koken waren niet heel goed geregeld. Dit is ook best lastig, want niemand wil de boosdoener zijn en iemand taken geven. Door de drukte kon ik niet goed studeren. Dit was wel een voorwaarde voor het studentenhuis. Omdat dit niet meer kon, besloot ik de taak als huismeester op me te nemen. Ik kocht een aantal klemborden en ging aan de slag. Ik maakte een lijst voor koken, schoonmaken en het gebruik van de overige kamer als studieruimte. Ik gaf iedereen even veel tijd voor het leren. Ook moest iedereen één keer in de week koken en schoonmaken. De overige dagen kookten we samen. Als je niet kon koken moest je iemand regelen die het voor je wilde doen. Dit was een goeie regeling. Het studentenhuis liep als een trein en ik kon weer rustig studeren.